De kwaliteit van leerwegondersteuning

In 2023 is het samenwerkingsverband overgestapt op een andere wijze van bekostigen van leerwegondersteunend onderwijs (LWOO). Het werken met individuele aanwijzingen per leerlingen is gestopt. De scholen ontvangen een populatiegebonden budget, waarmee zij de ondersteuning aan de leerlingen uit de doelgroep kunnen organiseren. De werkgroep Toekomst LWOO en PRO volgt de ontwikkelingen. Een onderdeel daarvan is het onderzoeken wat nu kwalitatief goede LWOO-ondersteuning is. Wat zijn effectieve elementen? Om hier meer zicht op te krijgen doen studenten van de Rijksuniversiteit Groningen onderzoek.
´We vinden het belangrijk dat we goed kunnen volgen of de veranderingen in de bekostiging van de LWOO, consequenties hebben voor de onderwijspraktijk´ start Wilfred Hofstetter, orthopedagoog en lid van de werkgroep, het interview. ´Daar waar het kan, willen we dat onderbouwen met wetenschappelijke kennis. De doelgroep LWOO kenmerkt zich door kwetsbaarheid en leerpotentieel en met de juiste ondersteuning kunnen deze kinderen zich goed ontwikkelen. Natuurlijk is er eerder onderzoek gedaan, maar er is weinig informatie beschikbaar over de combinatie van factoren´.
LWOO-ondersteuning in de praktijk
Studente Hannah Weening heeft onderzoek gedaan naar de vormgeving van het onderwijs in de praktijk in vergelijking met datgene wat is omschreven in de schoolgids. Op vier scholen, Salland, Penta, DCTerra Assen en Volta, liep ze een halve dag mee met de lessen. Ook hield ze interviews met een van de lesgevende docenten. Op de scholen trof ze aan: kleine klassen, structuur en duidelijke afspraken. Ook zag ze dat er veel docent-leerling-interacties zijn. Naast deze vorm van groepsgewijze ondersteuning hebben de scholen nog veel meer mogelijkheden beschikbaar. Zo zijn er in sommige lessen onderwijsassistenten aan het werk en voor sommige leerlingen wordt bijvoorbeeld remedial teaching of een reboundvoorziening ingezet.
‘Leerlingen die heel onzeker binnenkomen, zijn vaak de leerlingen die op de basisschool altijd aan de onderkant bungelden. Altijd knokken om een voldoende te halen, altijd in het groepje dat het niet kan. Hier zitten ze met gelijkgestemden in een klein klasje en is iedereen gewoon goed zoals die is’. (Uitspraak van een docent die deelnam aan het onderzoek)
‘Wat in positieve zin in de lessen opvalt is dat de hele klas profiteert van deze inzet van ondersteuning en dat er veel docent-leerling interacties zijn’, vertelt Hannah. ‘De conclusie van het onderzoek is dat er op de scholen veel meer gebeurt dan je kunt opmaken uit de schoolgids’. Hannah wil de scholen meegeven dat het voor ouders en anderen goed is om te weten dat er veel wordt ingezet en dat helpend kan zijn als ouders en anderen een beter beeld krijgen over wat er gebeurt in de praktijk.
Relatie mentor-leerling
Studente Lotte Eektimmerman nam de relaties tussen de mentor en de leerling onder de loep. Wat is de invloed van de relatie op het engagement van leerlingen? Met engagement bedoelt ze de emotionele betrokkenheid en motivatie. Lotte sprak op drie scholen in totaal met twaalf eersteklassers uit de LWOO-doelgroep. ‘De leerlingen waren heel tevreden over de mentor die ze hadden en omschreven de mentor meestal als aardig, vriendelijk en toegankelijk’, vertelt Lotte. ‘Leerlingen ervaren de meeste hulp van de mentor voor praktische schoolgerelateerde zaken. Voor emotionele steun gaan ze niet zo gauw naar de mentor toe. Uit het onderzoek komt naar voren dat de invloed van de emotionele band op het engagement van de leerling niet heel groot is. Terwijl twee leerlingen aangaven dat de emotionele steun van de mentor hen geholpen had bij situaties die ze hadden ervaren.’ Wat Lotte wil meegeven dat korte regelmatige mentor-leerling interacties ertoe doen en dat het belangrijk is dat mentoren daar zelf initiatief in nemen. ‘Regelmatig even polsen; hoe gaat het met je, hoe zit je erbij. Vooral de leerlingen die minder opvallen, zullen niet zo gauw zelf naar de mentor stappen, maar ervaren het als fijn als de mentor bij hen komt.’
‘Ik probeer altijd dingen zelf op te lossen, waardoor ik niet naar volwassenen toe ga. Dus bijvoorbeeld als ik ruzie heb met een vriendin dan ga ik niet naar mijn ouders en laat ik het er maar bij. En daarom is het wel fijn als er iemand naar me toekomt om te vragen van kan ik je ergens mee helpen, zeg maar’. (Uitspraak van een leerling die deelnam aan het onderzoek).
Complicerende factor bij het onderzoek naar de beleving van leerlingen uit de doelgroep is dat het niet zo gemakkelijk is om als externe onderzoeker echt in gesprek te komen. ‘Leerlingen geven meestal heel korte antwoorden. Misschien omdat ze het lastig vinden met een vreemde te praten, zich ‘stoer’ willen voordoen, of omdat het reflectieve vermogen nog beperkt ontwikkeld is. Om diepgaand inzicht te krijgen in de belevingswereld van de leerling zijn specifieke gespreksvaardigheden en onderzoeksmethodieken belangrijk’, licht Lotte toe.
Beide studenten hebben veel plezier gehad aan hun opdracht. ‘We zijn heel erg gastvrij ontvangen op de scholen en we kregen volop medewerking om onze onderzoeken te kunnen uitvoeren’.
‘Wat we uit beide onderzoeken leren is dat de rol van de mentor heel belangrijk is’, vat Wilfred samen. ‘Docent-leerling interacties, afgestemd op de doelgroep, binnen een gestructureerde context, doen ertoe voor een succesvolle schoolloopbaan’.
Naar nieuwsoverzicht